Recent Posts
Featured Posts

Portret Jeroen Brouwers voor Boekenmagazine

We zijn in blijde verwachting. In februari zal Jeroen Brouwers weer een boek baren. Cliënt E. Busken wordt aangekondigd als een korte roman over een ouderling die tijdens een gedwongen verblijf in een verzorgingscentrum, inwendig aan het fulmineren slaat, gevangen tussen machteloze verontwaardiging en megalomanie. Een nieuw boek van Jeroen Brouwers is op zich zeker een reden om te feesten, maar er is er nog één: de grote schrijver wordt ook tachtig volgend jaar. Tijd voor een uitgebreid, maar vooral tegendraads portret, helemaal Brouwers dus.



Enfant terrible, zogezegd

‘Ik heb geen psycholoog of psychiater nodig om mij er op te wijzen hoe treffend mijn karakter lijkt te worden getypeerd door mijn adres: ik woon aan de Dwarsdijk,’ schrijft Jeroen Brouwers (1940) in Kroniek van een karakter. Het is dan 1987. Inderdaad heeft Brouwers nog steeds niet de naam van een aimabel man te zijn, maar misschien is dat een rol. Misschien is het voor hem net als voor Connie Palmen, ‘een beheerd merk; een beheerd imago’. Misschien maakt hij net als zij van zichzelf een karakter, en leeft voor onze ogen als personage in een verhaal. De geniale, kwade eenzaat in zijn bos, die een vreselijk verleden torst, en die daaraan schrijvend met pen en inkt, decennia na elkaar, zonder onderbreken, vijlend en schavend, tegen een snelheid van tien woorden per dag, de ene prachtige roman na de andere onttrekt, zichzelf onderwijl consequent de verdoemenis in rokend (et alors?), en die als hij tussen twee van dergelijke marathons door tot iemand het woord richt, liefst duchtig en welbespraakt om zich heen slaat. En wat is dat heerlijk! We verwachten deze theaterpersoonlijkheid te zien te krijgen en krijgen ze ook. Die versie kunnen we, in het geval van Brouwers, bewonderen en soms een heel klein beetje verwensen. Want Brouwers heeft niet zelden gelijk wanneer hij er eentje opsteekt, een ferme trek neemt, en met de onverzettelijkheid van de hoogbegaafde, weer eens een ‘inconvenient truth’ in ons gezicht uitblaast. Naderhand wordt de boel doorgaans liefdevol herkaderd. Van ‘maar gelukkig schrijft hij prachtige boeken’, over ‘waarom zou een schrijver vriendelijk moeten zijn’, tot ‘het is veel béter als een schrijver een boos mens is, om niet te zeggen zéér noodzakelijk.’


Brouwers laat zich niet kennen

Voor de lezer doet het er uiteindelijk niet toe. Voor het publiek tellen alleen de prachtige verhalen, de deugddoende symfonie van de woorden, de humor, kortom het product dat we als lezer in alle intimiteit tot ons nemen. Wat malen we om een straffe uitspraak ooit gedaan, een blauwe plek op een denkbeeldig scheenbeen, als we op bladzijde 276 van Het Hout vergaan van medeleven met pater Bonaventura of wanneer we het zien aankomen dat rechter Hammer, in Bittere Bloemen door zijn ligzetel zal zakken op het dek van een cruiseschip, terwijl hij nota bene niet eens op cruise wilde gaan? Voor mindere schrijvers mag het vreselijk zijn zich te verdiepen in de intelligentie, rituelen en zelfdiscipline van Brouwers (hoe kan iemand ooit nog hopen iets deftigs schrijven tenzij met een vulpen op een broodzak; hoe zonder in een donker stil bos te wonen, te roken als een ketter en geërgerd en giftig de wereld te verwensen?), voor de bedwelmde lezer die de bladzijden verslindt, is het van geen belang.

Te weten komen wie Jeroen Brouwers werkelijk is, lijkt een moeilijke zaak, die bovendien misschien niet eens relevant is. Een portret over hem schrijven dat bij de feiten blijft is overbodig, Wikipedia deed het al, één dat de feiten overstijgt en de waarheid tracht boven te spitten, bijna niet te doen. Er zijn geen bronnen. Wat Brouwers ons toont in interviews is vermoedelijk pose. Wat hij ons toont in zijn boeken, zelfverklaarde leugens. ‘Literatuur is de leugen die de waarheid toont,’ zei hij ooit zeer gevleugeld. ‘Ik heb niet gelogen, ik heb een roman geschreven,’ was zijn hakbijlrepliek toen Rudy Kousbroek – die hij typeerde als "een geobsedeerde raaskallende gelijkhebber" - vond dat Brouwers in Bezonken Rood had zitten overdrijven over de gruwel in de Japanse kampen. Wat er in zijn romans wordt geschreven raakt een waarheid, maar niet noodzakelijk op niveau van de persoonlijke anekdotiek. Misschien is de beste manier om Jeroen Brouwers te leren kennen dan ook op zoek te gaan naar enkele thema’s en vormen die zijn oeuvre steeds weer doorspekken.


Pensionaten en andere interneringskampen

Brouwers geeft geregeld aan dat hij er lang over deed om te begrijpen dat zijn jeugd in een ‘jappenkamp’ en later op een reeks naargeestige katholieke kostscholen, door hem aangeduid als ‘plaatsvervangende jappenkampen’, alles behalve een gemiddeld vrolijke kindertijd uitmaakte. Kinderen hebben immers geen referentiekader. Deze respectievelijke plaatsen van terreur waarin hij door omstandigheden terechtkwam - in het geval van de kostscholen door een beslissing van zijn moeder, wat hij haar nooit vergaf - vormen het onderwerp van de Indiëwerken Het Verzonkene, Bezonken Rood, en De Zondvloed, en ook van de recentere roman Het Hout. Het lijkt erop of Brouwers er nooit echt in geslaagd is de trauma’s uit zijn turbulente jeugd helemaal te verwerken. Anderzijds moeten we niet vergeten dat Brouwers steeds het werkelijke autobiografische en vooral het documentaire gehalte van deze romans heeft gerelativeerd. Zijn eigen ervaringen vormen een uitgangspunt, maar hij behoudt zich het recht voor uit te vergroten en te overdrijven als de roman daarom vraagt.


De musicus in Jeroen Brouwers

Brouwers gaf al in vele interviews te kennen dat hij liever de schilderkunst of de muziek was in gegaan had hij maar genoeg talent gehad. Literatuur was van een mindere orde. Toch werd het de literatuur, want hij deugde nu eenmaal nergens voor. Niettemin is er heel veel muziek te vinden zijn werk. Er zijn vooreerst de talrijke auditieve representaties: ‘melodisch hoesten’, ‘de wind zong als Aeolus-harpsnaren’, ‘de uurslagen klonken als maattekens’, ‘…misbaar van vleugels en kreten, gekras en gekrab van zwemvliespoten op steen.’, ‘… de galm van de kerkklok die viermaal een sonore bons had afgescheiden was nog niet verklonken…’ Het is alsof Brouwers niet alleen visueel vertelt, maar ook dingen onthoudt of zich voorstelt via de geluiden die ze maken en hij deze ook op die manier teruggeeft in zijn beschrijvingen. Als Brouwers wil dat we iets horen, dan horen we het ook.

Ook op thematisch en structureel niveau klinkt de muziek door en dan bij uitstek opera. Karakters.be schrijft hierover in een uitgebreid stuk over Brouwers en muziek: ‘Een goede illustratie hiervan is Geheime kamers (2000), .... Al opent het boek structureel gezien als een ouverture, toch speelt muziek hier vooral een thematische rol. In deze roman heerst namelijk een uiterst muzikale sfeer, die niet enkel tot stand wordt gebracht door de thematiek (de geliefde van de ik-verteller is een operazangeres) maar ook door de talloze referenties naar muziekstukken en componisten, als Haydns Die Schöpfung en Bachs Matthäus-Passion. Wat zeker ook bijdraagt aan de muzikaliteit van het boek is de manier waarop de ik-verteller de omgeving portretteert en weergeeft. Hij beschrijft zijn hoofd als ‘vol klanken- en stemmengeruis’, wat we ook merken aan de manier waarop hij de wereld aanschouwt, namelijk op een erg muzikale en auditieve wijze. Dat muziek een onvermijdelijke en belangrijke component is in Brouwers’ proza is dus duidelijk. Meer zelfs: ‘Muziek is het kenmerk van al mijn proza,’ stelde Jeroen Brouwers in verschillende interviews. Hoewel muzikaliteit in zijn werk een opvallende en cruciale rol krijgt toebedeeld, is over dat aspect … erg weinig geschreven. In een interview uit 1981 antwoordde Brouwers het volgende op de vraag naar de muzikaliteit in zijn proza: ‘Dat thema is zelden aangeraakt. Ik wil daar graag over praten, maar men interesseert zich daar blijkbaar niet voor.’


Oud worden

Ouderdom en verlies van decorum waren al een thema in Bittere Bloemen en opnieuw neemt Brouwers dit thema ter hand in zijn nieuwste roman. Hoewel Cliënt E. Busken minder aaibaar lijkt te zullen worden dan de compleet hulpeloze rechter Hammer, zijn er zeker overeenkomsten. We zien telkens een man van stand, hoog intellect en groot aanzien traag en onverbiddelijk van zijn voetstuk sukkelen. In Bittere Bloemen observeert Brouwers zowel de geestelijke als de lichamelijke onbeholpenheid van de niet eens zo ongelukkige Hammer. Hij beschrijft deze op een niets verhullende, doch vrij milde wijze, vol bitterzoete humor. Het is een werk dat niet veel wordt genoemd en minder bestand lijkt tegen de tand des tijds. Wellicht onterecht. Dat het thema nu weer bovenkomt, zal misschien helpen. ‘Niets bestaat zonder dat het iets anders aanraakt,’ vindt Brouwers en hij legt het er bewust op aan om linken tussen werken te leggen. Zo versterken werken die verwante thema’s raken, elkaar in zijn oeuvre. Toch ziet het ernaar uit dat E. Busken uit een ander hout gesneden is dan Hammer, de verliefde zot. Hij kondigt zich eerder aan als de binnenvetter van het grote gelijk, het type dat zijn eigen mentale graf delft. We weten het niet, hebben geduld te oefenen en zullen ons er maar vast niet aan wagen de vraag te stellen naar het autobiografische gehalte van dit personage. We zullen het toch niet te weten komen.

Er zijn natuurlijk nog veel meer thema’s. Er is Brussel en Vlaanderen, verhalen waarin bij voorkeur niets gebeurt, mankementen in literaire ‘industrie’, zelfmoord, … Ga het vooral zelf ontdekken.


De schrijver aan het woord


Wilde u altijd al schrijver worden?

Ik dacht, wat moet ik in godsnaam worden? Schilder? Schrijven kwam pas later, ik was helemaal nergens geschikt voor, nou toen ben ik maar gaan schrijven. Om te kunnen schilderen moet je ook een bepaalde scholing hebben, daar moet een studie aan voorafgaan, bij muziek is dat helemaal zo, maar voor schrijven is er niks nodig.
Nu ben ik al veertig, vijfenveertig jaar schrijver! Mijn literaire oeuvre begint met Het mes op de keel, toen begon ik schrijver te zijn, maar dat was natuurlijk ook een prul. Ach, op een zeker moment neem je een besluit; ik word schilder, of ik word schrijver.
Ik was zeer zelfverzekerd bij mijn debuut, en dat werd dus met de grond gelijkgemaakt en doordat dat gebeurde, dacht ik, het is niet goed zeker, het is op geen enkele manier goed en dan ga je piekeren en nadenken, wanneer is het wel goed en wat wil ik eigenlijk en hoe moet ik dat dan doen, en dan komt pas inzicht in het vak en weer later, dan heb je dat vak onder de knie en begin je de goede dingen te schrijven. Dat duurt tien à vijftien jaar, voor je aan het goede begint. Maar ook nu heb ik het idee dat het allemaal nog moet komen. Ik ben tot op de huidige dag onzeker gebleven, ik twijfel aan alles wat ik doe als het gepubliceerd moet worden. Ik durf niet, op het moment dat ik zit te schrijven durf ik alles hoor, …

Uiteindelijk moet het naar een uitgever en dan moet het wat zijn.

Ja, maar die uitgever zal Jeroen Brouwers wel blijven uitgeven hoor, het gaat over jezelf, over je eigen besef. Het gaat over mijn eigen innerlijk, ben ik tevreden over dat werk, nou daar blijf ik over twijfelen, dat weet ik niet. Die Jeroen Brouwers, die is hartstikke beroemd en heeft grote prijzen gewonnen et cetera, maar ben ik tevreden over mezelf? Nu, dan durf ik niet volmondig ja te roepen.

U heeft de afgelopen vijftig jaar zo goed als alle literaire genres beoefend. In welk voelt u zich het meest thuis?

Mijn oeuvre staat daar, het vult twee kasten op de gang, nabij het toilet. De boeken die ik heb geschreven zijn goed, maar het echte meesterwerk moet nog komen. Dat denk ik nog altijd.
Toen ik aan De Zondvloed bezig was, dacht ik: hier moet alles in staan, dit moet literair voortreffelijk zijn. De Zondvloed benadert voor mij het meest mijn idee van een meesterwerk. Het is de roman waarover ik het meest tevreden ben. Het zwoegen eraan heeft acht jaar in beslag genomen. Vooral de vorm was zweten: hoe krijg je al die lagen en verhalen verteld. Om daarin te slagen heb je een enorme concentratie nodig.
Vele boeken die ik heb geschreven, blijken uiteindelijk niet de symfonie te bevatten die ik hoorde toen ik ermee bezig was. Ze voldoen niet aan het beeld dat ik van hen vooropgesteld had. Dat hoort bij het vak: het resultaat is altijd minder dan je voor ogen had, zelfs bij een meesterwerk.
Ik vind mezelf in de eerste plaats een essayist, veel meer dan een schrijver. Ik werk ook veel liever aan essays dan aan een roman. Essayistiek – zoals De laatste Deur,– is een sterk ondergewaardeerd genre. Alleen al voor die essays heb ik me vijf jaar lang grondig gedocumenteerd, als een wetenschapper. Dus als mensen dan denken dat een boek als een geschenk uit de lucht komt vallen?
Een roman is een groot avontuur. Je weet niet wat er zal gebeuren. Een essay vereist strakke beteugeling. Net zoals een polemiek. Die begin je met kwaadheid: waarom ben je kwaad, wat wil je de ander verwijten, waar wil je uitkomen, en wat zijn je muurvaste argumenten. Ik heb veel lol aan polemiek beleefd, maar het genre, dat trekken van het cabaret bezit, wordt vandaag niet meer beoefend. Het werd überhaupt al zeer sporadisch beoefend, door Lodewijk Van Deyssel en W.F. Hermans bijvoorbeeld. Terwijl het een mooi genre is.

De meeste van uw boeken zijn lovend ontvangen. Alleen ‘De zondvloed’ niet, in uw ogen het grote boek van uw leven, en ook het meest persoonlijke.

Ja, dat behoort tot mijn verdrieten. Daar deed men zo zuur en bitter over. Met De zondvloed heb ik in de jaren tachtig een eerste periode van mijn schrijverij voltooid, een roman van tegen de duizend bladzijden waarin alles moest staan wat in mijn denkwereld rondspookte. Dat is gelukt, naar mijn idee. Beter kan ik niet, dit is mijn meesterwerk. Pas toen ik De zondvloed en De laatste deur had voltooid, waren mijn jeugdidealen volbracht. Toen durfde ik mezelf pas schrijver te noemen. Ik was al ruim vijftien jaar bezig, de eerste prijzen waren binnen, maar als men mij vroeg naar mijn beroep, zei ik ambtenaar op kantoor of loketbediende bij het postkantoor. Uit gêne. Voor mij bevindt de literatuur zich ergens hoog op de Parnassus, en ik dacht: daar kom ik nooit!

Vindt u deelnemen aan het leven aantrekkelijk?

Ik vind er niets aan. Het leven heeft totaal geen zin, totaal geen zin! Je gaat toch dood. Dat had ik al heel vroeg door. Waarom leef ik eigenlijk, wat is dit voor onzin? Dus als het leven geen zin heeft, dan geef je het zin. Dat is de literatuur geworden. Omstreeks mijn dertigste, toen ik in Brussel woonde, verzeilde ik in de goot. Veel zuipen en zo. Nou, dat is deelnemen aan het leven. Ik was mij er helder van bewust: ik lig nu in de goot en ik vind het hier wel prettig, maar ik moet niet vergeten hier ooit uit te komen.

Er zijn schrijvers die kunnen leven én schrijven.

Zo’n schrijver ben ik niet. Anders zou ik niet in een bos gaan wonen. Hier gebeurt niets. Ik schrijf ook het liefst romans waarin totaal niets gebeurt. Joris Ockeloen en het wachten gaat over een vent die zit te wachten in een kraamkliniek, Zonsopgangen boven zee over twee mensen in een lift. En de man in Datumloze dagen dwaalt door een bos en heeft daar allerlei gedachten. In ongeveer tien seconden ziet hij de hele inhoud van het boek in zijn hoofd langs dwarrelen, want zo werkt het menselijk brein.


Heeft u nooit de behoefte gehad om naar een psychiater te gaan?

Zeg! Ben je belazerd, ik in therapie. Ik ken geen psychiater die minstens over mijn niveau van intelligentie beschikt. Ik ben mijn eigen psychiater, dat zei Willem Frederik Hermans al. En mijn mensenkennis is groot, ik bezit een grote mate van empathie.

U stelt de terminologie met betrekking tot zelfmoord aan de kaak.

Ze weten van gekkigheid niet wat ze moeten verzinnen. Tegenwoordig heeft men het zelfs over auto-euthanasie. En dan heb je die verzachtende term zelfdoding. Maar als ik jou doodschiet, dan noemen ze dat moord. En als jij jezelf doodschiet, zou het geen zelfmoord mogen heten? Ik ben het daar niet eens. Het is geen zelfdoding, maar zelfmoord. Ik ben taalgevoelig en dat is het juiste woord.
Om die reden ben ik ook tegen ‘zelfmoord begaan’, want het is ‘zelfmoord plegen’. Maar men wil pijnlijke zaken altijd versluieren. Zo zeggen ze tegenwoordig niet meer ‘in het ziekenhuis opgenomen worden’, maar ‘in het ziekenhuis logeren’. En een doodziek huisdier laten ze ‘inslapen’. Alsof we er anders van zouden schrikken.

U noemt een paar schrijvers die als gevolg van alcohol of drank zijn overleden, maar u ziet die dood niet als zelfmoord.

Als alcoholisten zich dood drinken, heeft dat niets met zelfmoord te maken. Net als roken is drinken een verslaving. Er is geen schrijver die een kist whisky leegdrinkt met het doel om zelfmoord te plegen. Iemand als Joseph Roth, die zich dood heeft gedronken, was zelfs moreel tegen zelfmoord.

Tot slot: blijft zelfmoord een taboe?

Nee, ik denk dat het over een tijdje iets heel gewoons zal zijn. Daarom steek ik nog een sigaret op.

DE NAAKTE FEITEN

Jeroen Brouwers werd in 1940 geboren in Batavia (nu Jakarta) als het vierde kind van vijf. Zijn vader werkte als boekhouder. Na de Japanse invasie begin 1942 werd zijn vader overgebracht naar een krijgsgevangenkamp in de buurt van Tokio. Brouwers belandde met zijn grootmoeder, zijn moeder en zus in een Japans interneringskamp. In 1947 kwam hij met zijn moeder Nederland. Zij stuurde hem al vlug naar een katholieke kostschool en daarover bleef hij een heel leven boos op haar. Hij verwerkte deze ervaringen uit zijn jeugd onder andere in Bezonken rood (1981) en Het Hout (2014).

Van 1964 tot 1976 werkte Brouwers in Brussel bij de Uitgeverij Manteau. In 1967 verscheen zijn romandebuut Joris Ockeloen en het wachten. Na onenigheid met directeur Julien Weverbergh nam Brouwers ontslag bij Uitgeverij Manteau. Hij ging zich geheel aan het schrijven wijden. In augustus 1993 verhuisde hij naar Zutendaal in Belgisch-Limburg. Het huis lag echter in een natuurgebied. Brouwers leverde een lange strijd om er te mogen blijven wonen. Op 8 april 2011 viel echter het verdict dat het huis moest worden afgebroken. Sinds 2017 woont hij in Lanaken.

In 2007 kende de Taalunie aan Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren toe. Hij accepteerde eerst de prijs, maar weigerde deze later, omdat het bijbehorende geldbedrag van 16.000 euro volgens hem niet in overeenstemming was met het prestige van de prijs. Jeroen Brouwers schreef meer dan zeventig werken (romans, essays, verhalen, polemieken) en ontving naast de boven vermelde, tal van andere literaire prijzen die hij ook aannam, zoals de Tzumprijs voor de mooiste zin ter waarde van 52 euro.

LITERAIRE PRIJZEN

1967 - Vijverbergprijs voor Joris Ockeloen en het wachten

1980 - Multatuliprijs voor Het verzonkene

1989 - Ferdinand Bordewijk Prijs voor De zondvloed

1993 - Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre

2001 - AKO Literatuurprijs en De Gouden Uil voor Geheime kamers

2015 - ECI Literatuurprijs voor Het Hout

4/ Een kaderstuk JB over (schrijvers) en zelfmoord (500 woorden)


De Laatste Deur

Jeroen Brouwers wordt volgend jaar tachtig. Anders dan de subjecten van zijn gigantische werk De Laatste deur, lijkt hij niet van plan de laatste deur zelf dicht te trekken. In plaats daarvan een nieuwe roman, waar wij met zijn allen reikhalzend naar uitkijken. Langsheen zijn indrukwekkende essay- en romanproductie schrijft Brouwers al jaren aan De laatste deur, een enorm opus, dat portretten bevat van schrijvers die zelfmoord pleegden Het kwam een eerste keer uit in 1983 en werd nu onlangs opnieuw uitgebracht, aangevuld met nieuwe cases en essays. ‘Begrijp ik die mensen? Jazeker. Ik kan me dat drama als apotheose van een leven heel goed voorstellen," liet Brouwers in een interview optekenen. Op de vraag hoelang hij er aan werkte antwoordde hij: ‘Alles bij elkaar vijftig jaar. Je moet je goed documenteren en de oeuvres van al die schrijvers lezen. Want wie was in godsnaam Cornélie Huygens? Dat moet je dus uitzoeken en daarom heb ik al haar boeken gelezen. Net zo ging het bij Haverschmidt, Emmens, Arends, Ter Braak, en ga zo maar door. In hun oeuvre zoek ik naar aanwijzingen voor hun zelfmoord. Aanwijzingen die ik dikwijls heb gevonden, maar vaak ook niet. Het lastige is dat je een schrijver niet kunt vragen waarom hij zelfmoord heeft gepleegd.’

De Laatste Deur geldt als standaardwerk, ook op het gebied van zelfmoord in het algemeen. Op minutieuze wijze gedocumenteerd schrijft Brouwers de biografieën van de vele schrijvers-zelfmoordenaars; niet zelden schrijvers die lang vergeten zijn of zelfs bij hun leven reeds niet verder kwamen dan de periferen van de literatuur. De laatste deur worden zonder meer de kwaliteiten van een wetenschappelijke dissertatie toegedicht. Sinds De laatste deur wordt, ook uit de wetenschappelijke hoek, aan Jeroen Brouwers regelmatig gerefereerd als 'suïcidoloog'.

Over De laatste deur zegt Brouwers zelf:

‘Die toon van liefde en empathie zit in mijn hele boek. Ik voel me verwant met ze, hoewel dat niet geldt voor hun daden. Ze zijn allemaal mijn collega’s in de literatuur. Alleen daarom al interesseert hun lot me. Voor iemand als Jan Emmens heb ik grote sympathie opgevat, juist door het lezen van zijn oeuvre.’

‘Je hebt schrijvers die door zelfmoord wereldberoemd denken te worden. Het is een cliché dat ik doorprik. Niet de zelfmoord maakt je onvergetelijk, maar het werk dat je hebt geschreven.

‘In de jaren zeventig maakten een geliefde van me en een paar bevriende schrijvers een einde aan hun leven. ‘Wat is er in hemelsnaam aan de hand?’ dacht ik toen. Zelfmoord bleek in Vlaanderen en Nederland ineens een hype te zijn. Het was een sombere tijd, ook al waren het de dagen van de zogenaamde revolutie. Maar voor zover er al sprake was van een revolutie, dan was die als een ballon over het land weggetrokken.’


‘Zwagerman was een levensgenieter, een gretige man, die altijd in zijn handen wreef. Toch moet ook bij hem de gedachte aan zelfmoord al geruime tijd in zijn kop hebben gezeten. Al weet natuurlijk niemand het.’
‘Me dunkt dat je over de zelfmoord van François Haverschmidt, die zich verhing, kunt zeggen dat die typisch protestants is. Voor protestanten is zelfmoord een doodzonde, een daad tegen God, een moord. Als je je verhangt ga je spartelen; het duurt minuten voor je dood bent. Je legt jezelf een strafmethode op.’

Cliënt E. Busken

De bejaarde E. Busken verblijft tegen zijn wil in de gesloten afdeling van een verzorgingscentrum waar men niet spreekt van patiënten, maar van cliënten. Is hij dement? In ieder geval is hij geïnterneerd om af te kicken van een verscheidenheid aan verslavingen. Hij zegt niets en lijkt ook niets te horen. Roerloos in zijn rolstoel staart hij voor zich uit, terwijl hem inmiddels niets ontgaat van wat er om hem heen plaatsvindt en dat hij inwendig van snerpend commentaar voorziet. Met zijn medebewoners bemoeit hij zich niet, louter in beslag genomen door zijn eigen ongericht door elkaar wentelende gedachten. Deze bewegen zich van verontwaardiging en machteloos verzet tegen zijn situatie via troebele herinneringen naar megalomanie. Hij acht zichzelf een groot wetenschapper, filosoof en schrijver, jammerlijk miskend en misplaatst tussen de andere cliënten, die in de war zijn als hijzelf. Cliënt E. Busken beschrijft een dag uit zijn leven in de instelling, inclusief zijn warrige gedachtenuniversum. Brouwers doet dat vanop gerede afstand met nabije betrokkenheid. Een korte roman, navrant en hilarisch.

Archive
Search By Tags