Als je een schrijver bent vanaf het moment dat je schrijft, dan ben ik er al een vanaf mijn zevende. Ik schreef moralistische gedichten toen, over fiere pennen, vissen die in de kookpot belandden en een vlieg die op reis wilde. Mijn moeder, vader en grootvader vonden ze toch leuk. Niettemin was het op een keer voorbij. Ik was eruit gegroeid denk ik.

Ik volgde Grieks-Latijnse Humaniora op een gemend College in Lokeren en leerde van taal houden. Niet dat spelling me zoveel kon schelen, er zat geen filoloog in mij verscholen. Waar het om ging waren de zinnen, de betekenis, de verhalen en wat je door die verhalen over het leven te weten kon komen. Ik begreep er eerlijk gezegd niet veel van, van dat leven en het resultaat was een gebroken hart.

Na een jeugddepressie (dat kan niet slecht zijn, denk ik nu, veel kunstenaars hebben er gehad) spartelde ik de Rechtenstudie door in Gent en mijn filosofische en literaire ambities kwamen onder een dikke laag stof terecht. Begin jaren negentig werd ik opgezogen door de aanwassende schrik dat er geen toekomst zou zijn voor onze generatie (X) en begon net als iedereen in mijn omgeving de meritocratie van bloed en beenderen te voorzien. Ik vergat helemaal wie ik was. Voor deze fase van zinsverbijstering betaalde ik een hoge prijs. Ik geraakte niet meer los en tuimelde van de ene top job in de andere tot ik bijna dood was. (Toch niet slecht, denk ik nu. Ik heb veel gezien waar over te schrijven valt.) 

In 2010 begon het tij te keren. Ik begon aan een vierjarige opleiding tot transpersoonlijke coach, begon weer te studeren, filosofie te lezen en te schrijven. Stukken van een eerste roman ontstonden voor mijn ogen. Paragrafen die ogenschijnlijk geen samenhang vertoonden. Iets autobiografisch, maar toch ook weer niet. Nabokov schreef ook op die manier. Dat kan niet slecht zijn, dacht ik.

Een eerste exemplaar stuurde ik naar Prometheus, maar ze keurden het af. Ook de coach die mij werd aangeraden vond het een humorloos verhaal voor vrouwen. Hij gaf me wel een tip voor een andere coach. Lili en Maaike, de Lettervrouwen, trokken mij bij mijn haren uit het moeras. Na een half jaar zei Lili: 'Het is tijd om dit gepubliceerd te krijgen. En dat gaat gebeuren ook.'

'Wachten op de reactie van uitgevers is 'een Alice-in-wonderland-achtige ervaring,' zei Maaike. 'Schrijf intussen maar wat kortverhalen.' Dat deed ik. Schijnbaar moeiteloos ontstonden tien verhalen. Twee ervan verschenen in Extaze. En toen mocht ik een bundel uitgeven bij In De Knipscheer : ROTGELUK! Eindelijk thuis.

Nu is er die allereerste roman er ook onder de titel: AVA MILLER en ik.

(Wil je echt de volledige opsomming van alle facts and figures en de volledige lijst van mijn dertien stielen en alle ongelukken die daarbij horen, zoek me dan eens op Linked in)

Mijn leefwereld is altijd hard geweest: de balie met vooral de tijd als pro-deo advokaat, de academische wereld met de wedren naar A-publicaties, de grote bedrijven met hun eeuwige groei en innovatie, elkaar voortdrijvend in de race to the bottom, Londen waar het mooiste en het laagste te zien is, het rijkste en het armste. Dit zijn de omgevingen van mijn kortverhalen.

Bij mij tot nader order geen impressies over het 'schrijver zijn'.

Ik schrijf om te begrijpen. Hoe (over)leeft de mens in de wereld? Ik hou van echte helden, Griekse verhalen, verwaarloosde olijfgaarden, elke Ford Mustang van voor 1986, en elkeToyota Hilux van voor 1999, Johnny Cash, Steve Mc Queen, Alien, Zarathustra, de Amerikaanse white trash cultuur met inbegrip van de muziek, verse kruiden, spreeuwen als ze met meer dan duizend zijn, wat Deepak Chopra over het universum zegt, on the road zijn, Orval (zowel de drank als de plek), enzovoort,...

Ik zoek naar het heilige, het goddelijk in de wereld. Voor de zoekende mens die het licht niet vindt heb ik heel veel mededogen, maar hem redden doe ik.

 © 2023 by Kristien De Wolf - Proudly created with WIX