top of page
Recent Posts
Featured Posts

Bergvolk


Op de eerste dag van de pluk is de lucht fris en de hemel een beetje overtrokken. De wind blaast uit het noordoosten. We hebben verschillende laagjes kleding aangetrokken. We slepen tien netten, twintig zakken, vier manden en acht stokken de berg op. Voor elke plukker is er een stok. Voor elke groep van vier plukkers zijn er twee manden en vijf netten. We beginnen op het hoogste punt van de olijfgaard, op een plek waar we andere jaren pas komen als er tijd over is. El Jefe, zo noemen we mijn man tijdens de pluk, heeft verklaard dat het fijner is om te dalen en op die manier naar het naar het huis toe te werken, dan om op het laatst nog te klimmen naar het hoogste punt. Op De Berg doen we altijd wat El Jefe zegt.



We leggen de eerste netten open onder de eerste bomen. De muren zijn hier hoog en dus is het een gepuzzel om de netten goed te plaatsen. Al zijn we aanhangers van Pareto en zullen we geen traantje laten om die ene olijf die het niet redt en de afgrond in duikelt, bij het begin van de Pluk wil kleine K., mijn ploegbaas voor deze ochtend, er de kantjes nog niet vanaf lopen. Elke hoek van elk net moet zo geplaatst worden dat het grootst mogelijke aantal olijven in het net belandt of van het ene net in het andere rolt. Een knoop hier, een steen daar, het duurt een tijd voor hij de constructie goedkeurt en we ons aan het kloppen mogen begeven. Olijven regenen bij honderden de netten in onder de harde slagen van onze stokken. Er komen takken en bladeren mee naar beneden. Als kleine K. het sein geeft, houdt het kloppen op en halen we het struikgewas met zorg tussen de vruchten uit. Hierna blijven er alleen nog olijven over in ons net, zachte zwartblauwe, harde groene, alle vettig van het olieachtige sap dat ze al beginnen af te scheiden. We hevelen ze over in soepele rieten manden en van daar ratelen ze de zakken in.