Recent Posts
Featured Posts

Regensoldaten, een boek dat ik meemaakte. Cor Gout

Deze schitterende tekst verscheen in nummer 3 van De Veerman - Literair Tijdschrijft

Lezen = schrijven?

Aan het eind van Plato’s Phaedrus, komt Socrates met de naamgever van de dialoog te spreken over het verschil tussen lezen en schrijven. Er zijn er, weet Socrates, die lezen gelijkstellen aan schrijven. Zij gaan uit van een samensmelting of identiteit. Maar is die aanwezig? Wie de twee activiteiten gelijkschakelt baseert zich op de stelling dat het vanuit de oogpunten van voorzichtigheid en objectiviteit niet gerechtvaardigd is iets aan het geschrevene te veranderen, ook niet in de geest. Maar, kapittelt Socrates deze stelling, die personen zouden helemaal niet lezen. De tekst zou, wat zijn compositie en de regels van het spel betreft, onzichtbaar blijven. Maak hem zichtbaar en maak hem tastbaar door hem aan te raken en wees niet bang een draad aan het weefsel, dat de tekst in feite is, toe te voegen. Als redacteur en soms ook recensent voor het literair tijdschrift Extaze heb ik, waar mogelijk, geprobeerd Socrates’ visie in ere te houden. Een oordeel geven op grond van kennis over compositie, vorm en inhoud, stijl en grammatica sluiten je als persoon buiten een tekst. Liever probeer ik in de tekst door te dringen en daar, te midden van het dradenspel, een eigen draad, of meer draden, te spannen. Niet alleen mijn emoties van het moment, mijn stemming van de dag, de plaats waar ik mij bevind, en het tijdstip van de dag waarop ik een boek lees zullen daar een rol bij spelen. Het belangrijkste is dat het boek zich voor een dergelijke omarming moet lenen.

Weerstand en weerbaarheid

De boeken van de Belgische schrijfster Kristien De Wolf reiken hun letters, hun klinkers, hun medeklinkers, hun geluidloze, verborgen letters en hun ritmes naar me uit. Dat gebeurt al in het eerste hoofdstuk ‘Magda’, de voornaam van het hoofdpersonage, bijgenaamd ‘Mus’. Aangetrokken door het huwelijksportret van haar moeder ontstaat in haar gedachten de idee van een belichaming van die beeltenis. De objecten die zij op weg naar haar doel tegenkomt lijken die idee steun te geven, hoewel ze in alle gevallen weerstand en weerspannigheid oproepen. De regen buiten komt niet verder dan de ramen en weigeren op straat te dansen als regensoldaten. De keukentafel creëert afstand met zijn geur van VIM die hij verspreidt. Op het dressoir ligt moeders camera met zijn nerven en bulten er zwaar en bestoft bij, terwijl de knopjes, de wieltjes en vooral het bolle lensglas een verbodssignaal afgeven. De plastic zak waarin Mus de camera opbergt is stevig en onttrekt de vorm van het apparaat aan het oog. De weerstand van de dingen is voelbaar in de keuze van de woorden en de zwaarte daarin, alsook in de zinnen. Nadat Mus de camera in de plastic tas heeft gedaan, loopt ze op haar tenen over het bordeauxrode tapijt in de living: ‘Het leek alsof het tapijt aan mijn voeten zoog en me niet meer los wilde laten, alsof het wist dat ik hier niet mocht komen en me wilde vangen.

Het plafond was net als de muren crèmekleurig en mijlenver boven mijn hoofd verheven. Ik liep door tot bij het eerste van de zes enorme ramen, die werden geflankeerd door ontzagwekkende rode draperieën, die zwaar doorhingen tot op de vloer.’ (pp 29, 30) Mus bestijgt de trap, de camera is zwaar, glijdt uit haar arm en tuimelt met zak en al van de traptreden naar beneden. De weg omhoog leidt naar de toilettafel in de slaapkamer van haar ouders, naar de kaptafel en de make-up waarmee ze haar gezicht beschildert en de schaar waarmee ze onhandig een pony knipt. Nu nog de oogschaduw. Waar kan ze die vinden? Een scherp zilver stiftje dringt zich aan haar op. Een klein steekwapen lijkt het. Blijkt het ook te zijn. Ik las dit hoofdstuk overdag maar nam me voor het ’s avonds nog eens te lezen. Zou ik, tegen het zwart van de nacht aan, een knipoog, een lachje ontdekken? Nee, de woorden waren niet grappig, ze dwaalden af van ‘leuk’ naar ‘bitter’.

Ik dwaalde tijdens het lezen af naar een avondje uit met oom Frans, lang geleden. Als tegenprestatie voor zijn korte vakantie bij ons thuis, trakteerde hij me op een voorstelling van Circus Strassburger in Scheveningen. Ik was een jaar of negen. ‘Je moet op de clowns letten,’ had oom Frans me op weg naar het circusgebouw al een paar keer aanbevolen. ‘Die zijn zo leuk, dat wordt lachen, hoor!’ Ik verheugde me erop, zeker toen oom zijn lofzang tijdens de rondgang van de olifanten, slurf aan staart, nog eens herhaalde. Plotseling waren ze daar, de clowns: twee wildebrassen, overdadig gegrimeerd en één witte clown, die niet, zoals de twee anderen, onverstaanbare klanken uitstiet en driftig gesticuleerde, maar stil bleef, verlegen, zou je kunnen zeggen, maar misschien beter: bang. Het drietal beklom een trapje dat leidde naar een groot rond plateau dat rustte op een brede steunbalk. Terwijl de wilde potsenmakers steeds agressiever op de witte clown afstevenden en harde, bedreigende kreten slaakten, zocht het slachtoffer zoveel mogelijk de randen van het tableau op. Je zou verwachten dat het publiek zijn adem inhield, maar het tegendeel was waar: het gierde van het lachen. Het gebulder hield zelfs aan toen de vernederde clown met één voet naast de rand stapte, van het plateau tuimelde en met een grote plons in een grote plastic kuip belandde. ‘Leuk, hè?’ zei Oom Frans. ‘Ja,’ loog ik.

Medicijn en vergif

Het gesprek tussen Socrates en Phaedrus speelt zich af in een idyllische omgeving, aan de oever van de rivier de Ilissus. Socrates heeft de wereld van de logos, met zijn dialectische redeneertrant, zijn schriftuur en zijn wetenschap in Athene achtergelaten en merkt dat de verandering van de natuurlijke omgeving zijn wijze van filosoferen beïnvloedt. Nadenkend over deze voor hem ongebruikelijke pleisterplaats, beseft hij dat hij is aangeland op de plek waar Boreas, de god van de noorderwind, de maagd Orithya met geweld meevoerde en in de afgrond blies. Althans, zo gebeurt dat in de fabel van de cicaden, halfvleugelige insecten die een zoemend geluid voortbrengen. Orithyia, die aan de oever speelt met haar vriendin Pharmacea (dat behalve als eigennaam de betekenis draagt van drug: medicijn of vergif) lijkt een slachtoffer van Boreas’ gril, maar in de interpretatie van Socrates heeft Pharmacea haar vriendin met haar spelletjes langs de gevaarlijke rivierrand de dood ingedreven. Pharmacea personificeert als farmacon de charme, de macht van fascinatie, die in opeenvolging of gelijktijdig goed of kwaadaardig kan zijn en mensen kan doen afdwalen van hun algemene, gebruikelijke wegen en routines. In de literatuur kan de werking van het farmacon de lezer doen verdwalen, hem de verkeerde richting opsturen. Eind april 2021 bereikte ik, lezend in bed, de laatste pagina (150) van Regensoldaten. ‘En, wat vond je ervan?’ vroeg mijn vriendin, die naast mij lag. ‘Ik weet het nog niet,’ antwoordde ik, ‘het verhaal komt nu bij me binnen en zoekt een plaats.’ Een half uur later dacht ik dat het zover was.

Dag- en nachttaal

‘Je weet,’ begon ik met een uitleg, ‘dat mijn nachttaal anders is dan mijn dagtaal. Wanneer ik ’s nachts in bed tegen je praat wordt mijn taal voortdurend overspannener, higher, hyper zelfs. De verhalen die ik dan vertel zitten vol grimmige humor en moeilijk te volgen associaties, het spreken lijkt automatisch te verlopen, zoals ik me voorstel dat Breton, Aragon, Apollinaire en de schrijvers van de Beat Generation dachten, spraken en schreven. Mijn verhalen lijken dan te verdwalen, tot ze plotseling een pad vinden dat tot iets leidt waar ik tevreden mee ben. Of meer dan tevreden. Ik laveer tussen dag en nacht, waken en dromen. Ben ik baas over mijzelf en de situatie om mij heen, de coronawereld, de veranderingen in mijn leven, of bedrieg ik me? Want waarom praat ik zo? Om problemen weg te denken? Om een angst te verbergen?’

High of low?

Vervolgens vertel ik mijn vriendin dat de laatste dertien pagina’s van het boek me doen denken aan een nachtwandeling bij blauwe hemel. De wijze waarop Kristien De Wolf die wandeling beschrijft, brengt me dicht bij mijn nachttaal. Magda is allang niet meer de kwikzilverachtige durfal uit haar jeugd en adolescentie. Ze is een aan drankzucht overgeleverde neurologe zonder passie, zonder compassie ook. Beter maken zal ze haar alzheimerpatiënten niet en moed geven kan ze hun ook niet. Over haar onstuimige studententijd heen denkend komt ze vaak uit bij haar jeugdvriend Andy, die meer voor haar betekend heeft dan lol, schelmenstreken en seks. Waarom is Andy toch het kind gebleven met wie ze subbuteo speelde en zuurtjes at, een kind, dat haar later, als opgroeiend kind, eenzelfde rust en geborgenheid schonk, maar niet meer dan dat. Ze belt hem op, ze maakt een afspraak voor een spelletje subbuteo. Zij zal zuurtjes meenemen.

‘Ben je nog wakker? Ja? Dan zal ik je een stukje voorlezen.’ “In de keuken scheen de zon door het raam op de ontbijttafel. Dat leek me al maanden geleden. Ik at op het blote hout, er was geen tafelkleed en ook geen matje. Het donkere, door gebruik geoliede hout, glom. Het lachte naar mij, echt waar. De tegels van de vloer die beschenen werden, weerkaatsten een mild geelbeige licht, een vloer van honing leek het wel, of van vloeibaar goud misschien. Ik begon natuurlijk blij te worden van zoveel sprookjesachtigheid.” (p. 129)”

Magda kijkt uit het raam. De wereld glanst en lacht haar toe. Het extra glaasje wodka heeft ze vandaag niet nodig. Buitengekomen omhelst ze haar buurvrouw, die schrikt van die koestering. Op de nabijgelegen markt ziet ze sappige rode appels in kratten, koopt ze een aangenaam geurende selderie. Niet de zuurtjes vergeten! Nee, dat doet ze niet. Buiten het dorp geniet ze van de natuur, van de mensen die werken in hun tuin. De academie in de verte ademt vriendelijkheid, lijkt niet meer gevaarlijk. Het zandpad dat ze kiest stijgt en voert haar naar de oever van een rivier, de Schelde. Ze volgt de dijk in de richting van de dorpen en de zon. Magda dwaalt door een hemelse uitgestrektheid. Ik zou door kunnen vertellen over wat volgde, maar ik ben bang. Deze euforie, dit hypergevoel past niet bij de Magda zoals die is geworden, een mens die vergeefs zoekt naar leven, bescherming en liefde. Is ze bang voor de ontmoeting met Andy? “Ik naderde het station, nog steeds in hoger sferen, in een staat van genade die ik zonder ook maar een dropje drank had bereikt. Het werd frisser. Toch liet ik mijn mantel openhangen. De selder stak onder mijn arm. Met mijn andere grabbelde ik in mijn tas en at alvast een stukje.” (p. 148).’ Voorzichtig vertel ik mijn vriendin hoe het boek eindigt, maar terwijl ik dat doe, merk ik dat ik tegen een rustige, regelmatige ademhaling praat. Wanneer ik haar gezicht opzoek, zie ik dat ze slaapt. Misschien is dat ook wel het beste.

****

(PS: hoe is het mogelijk dat de beste boeken die ik in 2021 heb gelezen alle uit België afkomstig zijn? Genoten heb ik van Revolusi van David van Reybrouck, Weekdier van Hans Depelchin, Regensoldaten van Kristien de Wolf en het nog ongepubliceerde eerste deel van Blue Suede Shoes van Didi de Paris.)

Cor Gout (De Haag) is neerlandicus, schrijver en filosoof. Gedurende tien jaar (2011-2019) gaf hij samen met Els Kort vorm en leiding aan het tijdschrift Extaze. In 2021 verscheen zijn roman Bik over de gelijknamige Hagenaar die in 1937 in Berlijn een vernederende liefdeservaring onderging. In 2014 verscheen zijn verhalenbundel Korenblauw





Archive
Search By Tags