Recent Posts
Featured Posts

Sluipersnacht


(Victoria Peel)


Liever luisteren? Anchor - Spotify


Zo gaat het verhaal over de Sluipersnacht (waarin per toeval het verband kwam bloot te liggen tussen het beleven van vrijheid en het dragen van schuld. Ik zou daarover, denk ik, gemakkelijk een roman van achthonderd pagina's kunnen volschrijven en die zou dan, in alle bescheidenheid, bijvoorbeeld Schuld en Vrijheid kunnen heten, maar nu zijn we onderweg in het donker, van rood naar zwart.


Misschien hebben we hiernaar geluisterd?





***


Met driehonderdtachtig liter vloeibaar goud in de aanhangwagen passeerden we de grens. We 'geraakten erover' als dissidenten, gewapend met mondmaskers, QR-codes en verklaringen op eed in verschillende Europese talen.


We hadden de papieren ingevuld bij kaarslicht en er uitgebreide besprekingen aan gewijd. Onze handen deden nog pijn van het werk, het kloppen, het rapen. We probeerde de herinneringen aan de moerassige geur en het tintelende git van de vruchten, het ratelen ervan in manden en zakken, het vuil, de regen, het afgesneden (on)kruid, de aarde en de Grond vast te houden. Maar mijmeren lukt niet als er pennen krassen. Rouwranden aan die schrijvende vingers van ons, omdat het gedaan was met leven.


***


We naderden Coronaland. Vanaf Parijs werd die gedachte ondraaglijk. We zeiden niets meer, hielden elkaar tokkelend op de hoogte, koersten om avondklokken en dienders allerhande te vermijden die voor verhaal noch rede vatbaar zouden zijn (we vreesden, geloofden en wisten op den duur zeker dat ze dat niet zouden zijn). We herhaalden onze waarheden, voor onszelf.


We zwoegden door het verlaten landschap, schoten als huiverige schaduwen langs tolhuizen, ontlastten ons in ijltempo en met ingehouden adem in verlaten tankstations, aten nauwelijks. We maalden en sliepen en maalden nog wat.


Er was niemand bij de grens, niemand op de snelweg, niemand bij de afrit. We kregen geen elektronisch bericht dat onze eenzame opsluiting ophanden was.


Het liep dus allemaal heel goed af en uit wetenschappelijk onderzoek bleek dat we ook daadwerkelijk in fysieke veiligheid verkeerden. Sommigen beweerden dat we dat ook wel hadden kunnen raden of afleiden uit de omstandigheden, maar dat was gemakkelijk gezegd, achteraf.


We verheugden ons. 'Hoera!' verscheen er op onze schermpjes. We sneden de vraag hoe lang deze fel bevochten 'veilige' toestand te bestendigen viel in een land waarvan alle vlakjes op de kaart bordeauxrood tot zwart kleurden, collectief de keel over. We stelden ze niet. En of het dan allemaal wel de moeite was geweest? Waag het niet, die vraag te stellen, stel ze niet, zwijg nu maar of beter nog: s t o p met d e n k e n. Het is voorbij.


***


En toen moest ik het wel denken. Dat boete niet altijd volgt uit schuld, maar schuld meestal wel uit vrijheid. Schuld in de ogen van een Gemeenschap, in een tijdsgewricht. Schuld is een interpretatie en voor wie tot een Gemeenschap behoort is er nooit vrijheid mogelijk zonder schuld, geen gram, geen graantje, geen afgekloofde olijfpit. Zij (de Gemeenschap) zal u op uw poten slaan, ook al is er geen schade berokkend, en gij zult het verdragen. Zij heeft zich in uw hoofd genesteld, dat is gemakkelijker dan aan de landsgrens te staan koekeloeren en Zij blijft u bestoken, zodat gij alsnog boete doet en het niet vergeet voor de volgende keer.


***


De volgende dag stelde ik vast dat de herfst was ingetreden. De exoten die het bos sinds deze lente hadden overgenomen, bleken (net zoals de inheemsen) hun bladeren te verliezen. Ik kon de vijver weer zien. Vol klaterende eenden zat die. Zij leken, anders dan ik, immuun voor het korten van de dagen en het glaziger worden van het licht.


Wat zocht ik? Een perspectief wellicht. Een weg uit het Escher-achtige landschap waarin ik me (in mijn hoofd) bevond en waarin iedere trap naar boven toch weer in de kelder uitkwam. Niet dat mijn leven per se uitzichtloos aanvoelde, maar ik heb er last van als het niet goed gaat met de wereld.


Op de dijk was er meer perspectief, in de zin van ''een uitzicht dat verder reikte dan mijn eigen neus (sommigen vinden dat al betrekkelijk ver in mijn geval, maar ik durf te beweren meer nodig te hebben)". De hemel was onverstoorbaar, geschilderd met een poezelig eendenveertje, in laagjes roze met fijne, gele en grijze adertjes. Het licht was raadselachtig ingetogen. Gewoon fantastisch was dat licht, zoals altijd op deze plek.


In de stilte van het bos (ik moest vluchten en het pad verlaten om even een moment alleen te hebben) was er nog een ander perspectief. Het doorzicht kantelde naar binnen. Daar was het beter dan verwacht. Leegte binnenin is niet eng, niet onaangenaam. De tijd verdwijnt er. Je kan er perfect gelukkig zijn.


***


Het daagt me dat het anders is nu. Onze juwelen zijn de eerste keer al in de collectebus verdwenen, we kunnen ze geen tweede keer meer schenken. Onze overmoed is uitgeblust, de gedachte dat we het hem wel zouden lappen, dat de nieuwe wereld nakend was, door ons met eigen handen gehaald, is voortijdig doorgeknaagd door de tijd, die rotkop met zijn kleine, scherpe tandjes.


We bekijken de lijsten, de reservisten worden steeds jonger, dit is geen pretje meer. De eerste keer wiebelden we onbekommerd met onze konten op alternatieve feestjes, alsof er iets te vieren viel. Nu is het stil.


Hoe lang gaat dit eigenlijk duren?


Laten we het tafelzilver in de waterput verstoppen en de laatste haan nog even sparen.


***


Ik kom thuis en steek een kaars aan. Ik bid. Oh Lord grant me vision. Ik vraag Hem niet veel, niets ex machina, niet onnatuurlijks of magisch, alleen maar of hij de Wetenschap een zetje kan geven, wat inspiratie, wat extra motivatie en snelheid vooral.


Ik ben klaar om me met wat dan ook te laten inspuiten en gruwelijke bijwerkingen te aanvaarden. Ik wil het doen, misschien minder voor mijzelf, of toch, misschien eerder voor de anderen, bij uitstek een aantal specifieke anderen, ik ken hun namen. Want er zijn onvoldoende plaatsen in de psychiatrische instellingen en ik wil niet dat mijn geliefde mensen failliet gaan.


Geef me gewoon die spuit. Zodat ik van jouw glas kan drinken en je omhelzen als ik daar zin in heb, midden in de nacht. Hier is hij, mijn arm. Prik er maar in, voor ons allemaal, om het leven terug te krijgen en de vrijheid om te dansen, te zorgen, te plukken, te leven, zonder schuld, noch boete.


En als het zover is, als we van Haar opnieuw mogen uitgaan van overvloed, van een andere soort weliswaar, dàn eten we hem op, die magere laatste haan, met onze ongewassen handen.

Archive
Search By Tags